Kerstverhaal – De drie wijzen uit Oost

Ze stonden met zijn tweeën wat te hangen bij het hek van het Oosterpark. Ze schopten de hele tijd een gedeukt bierblikje naar elkaar toe, maar echt voetballen wilde dat niet worden. Een klein, maar stoer Surinaams meisje kwam langs. ‘Hoi Kimberley’, zeiden de jongens. ‘Ik wil me nergens mee bemoeien’, zei Kimberley, ‘maar volgens mij staan jullie je te vervelen.’

‘Nou èn’, zei de één. ‘Mogen we soms? Het is toch kerstvakantie!’

‘Van vervelen word je vervelend’, vond Kimberley. ‘Daar moet je iets tegen doen. Snoep kopen bijvoorbeeld.’

‘Daar heb je geld voor nodig en dat heb ik niet’, zei de andere jongen.

Dat was inderdaad een probleem en daar moesten zij over nadenken. Ze waren al sinds groep drie dik bevriend met zijn drieeën. Kimberley Melchior, de Surinaamse, Balt Azart, een eigenwijze, van huis uit Turkse boy en Kasper de Koning, de kaaskop van het stel. Ze waren het altijd gloeiend met elkaar eens en wisten precies wat hun te doen stond. Maar dit keer viel dat niet mee. Spijtig stak Balt het laatste stukje van zijn chocoladeplak in zijn mond om daarna de wikkel van goud zilverpapier weg te gaan gooien.

‘Wacht eens even, geef eens hier’, zei Kasper. ‘Ik heb het gouden idee.’ Hij frommelde en scheurde wat aan het goudpapier tot het een soort van ster was. Dat prikte hij op een tak die op de grond lag. ‘Ziezo’, zei hij. ‘Het winstgevend Kerst-gebeuren kan beginnen!’

Kimberley en Balt begrepen hier niets van.

‘Kijk’, zei Kasper, ‘met de kerst lopen er altijd drie koningen achter een ster aan om het kindeke Jezus te zoeken. De Wijzen uit het Oosten worden ze ook wel genoemd. En wij, wij zijn drie wijzen uit Oost, ja toch?’

‘Wat heb ik daarmee te maken’, zei Balt. ‘Bij mij thuis doen we niet aan kerst of Jezus.’

‘Daarom kan je er nog wel aan verdienen’, zei Kimberley. ‘We verkleden ons gewoon als de Wijzen uit Oost en halen dan geld op voor het Kindeke, zogenaamd. Kat in ’t bakkie’, zo gepiept.’

‘We moeten er wel een goede slogan bij hebben’, zei Kasper. ‘Dat verkoopt beter. Bijvoorbeeld: “Geef maar een heleboel. En dan… eh…want Jezus is ons goede doel”. Zoiets. Je kan dit nog rappen ook.’

Op die manier vond Balt dit ook een prachtig plan. Naast de glasbak op de hoek vond hij een oude lap die een koningsmantel kon zijn. En een lege eierdoos zette hij als kroon op zijn hoofd. Kimberley deed haar sjaal om haar hoofd bij wijze van tulband en Kaspar liep voorop met de verfromfaaide ster in de ene hand en het gedeukte biekblikje in zijn andere hand, als collectebus. Zo gingen ze op weg. Het zag er schitterend uit. Overal waar ze kwamen rammelden ze met het blikje en zongen uit volle borst:

‘Geef maar een heleboel,

want Jezus is ons goede doen!.’(bis)

Eerst wilde het niet goed lukken, de meeste mensen deden net of ze niet bestonden en liepen door. Maar toen ze de brug over gingen en op de Albert Cuypmarkt kwamen, liep hun gebedel als een trein. Er waren daar genoeg mensen die om hen moesten lachen en zo haalden ze wel vijf euro tachtig op.

Alleen zat er op de hoek een klein vrouwtje met een dikke buik en al haar piekharen in de war. Zij was nogal chagrijnig. ‘Doe me een lol, jongens, en donder op!’, riep ze. ‘Ik heb wel andere sores aan mijn kop dan jullie kindeke Jezus.’

Ze wilden een eindje verderop gaan zingen, maar daar stond een slordig uitziende kerstman jingelbel, jingelbel te zingen, een rood mutsje met een witte bontrand schuin op zijn kale kop.

‘Opzouten, jongens,’, riep hij, ‘Ik sta hier professioneel kerstliedjes te zingen en daar wil ik geen oneerlijke concurrenten bij hebben. Dus: moven en wegwezen! Jingelbel, jingelbel, jengel all ze wee!’

Opeens hoorden ze aan de overkant vreselijk gehoest en gekreun. De chagrijnige vrouw met de piekharen moest erg overgeven en zat daar te spugen. De kerstman ging er direct op af. Balt, Kimberley en Kasper er achteraan.

‘Ria, wijffie, wat is er?’ vroeg hij bezorgd.

‘Ik weet het niet, Jos’, zei zij. ‘Maar ik voel het opeens zo naar samentrekken in mijn buik. Pijn in mijn rug ook.’

‘Je wou toch niet beweren dat je zwanger bent, Ria?’

‘Een beetje wel. Ik weet niet door wie dat gekomen is. God mag weten wie de vader is. De baby is uitgerekend voor 6 januari, Jos, en het is nu pas 24 december, dus hoe kan het dat ik nu al…’. Met een pijnlijk gezicht greep ze naar haar rug.

‘Meid, volgens mij sta jij op het punt van bevallen’, riep Jos. ‘Vlug, kom mee! Mijn oude autootje staat hier om de hoek fout geparkeerd op het Gerard Douplein. Hup, vooruit! Naar het ziekenhuis, naar Onze Lieve Vrouwe. Nu!’

De drie jonge wijzen uit Oost hielpen mee haar tas te dragen. Zij mochten ook mee in de roestige Volkswagen van Jos om de weg te wijzen en het ambulance geluid te verzorgen.

Jos scheurde meteen fullspeed boven de maximum snelheid door de straten, terwijl de drie achterin door de open raampjes voortdurend tadie-tadaa!! schreeuwden. Het was werkelijk super spannend, alsof ze in een misdaadserie op t.v. zaten. Ze kwamen aanrijden tot vlak voor de draaideur van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, pal tegenover het Oosterpark. Jos duwde Ria zo snel mogelijk naar binnen en naar boven met de lift. De kinderen mochten niet mee, die moesten in de hoge hal beneden zitten wachten. Dat duurde wel erg lang. Er lag daar op tafel alleen een Privé met Patricia Paay erop. Dat moest dus een heel oud nummer zijn. Ze keken maar wat rond in de giftshop aan het einde van de gang. Van hun opgehaalde geld kocht Kimberley een knuffel ezeltje voor de nieuwe kleine. Balt vond baby spulletjes maar niks en kocht een marsreep. Wat hij zelf het lekkerste vond wilde hij het kindeke geven, de schat. Kasper kocht een monsterflesje nep-parfum van nep-Chanel. ‘Tegen de stank’, zei hij, ‘als hij een vieze luier heeft.’

Het was al avond geworden toen Jos eindelijk grijnzend de lift uit kwam. ‘Bingo!’, riep hij. ’t Is een jongetje geworden. Kom gauw mee!’ Zo brutaal als ze anders waren, zo verlegen waren ze nu ze de kraamkamer binnenkwamen. Op een hoog bed lag Ria moe en trots te wezen. Naast haar een ijzeren bedje waar een enorm geblèr uit kwam. ‘Wat een herrie maakt die goser hè’, zei Ria. ‘Die is niet op zijn mondje gevallen. De mensen zullen nog veel van hem horen. Zeker weten. Laten de hoge heren maar uitkijken. Dit sterke kind komt er aan!’

Ze keken alle drie dat bedje in en zagen alleen maar een klein rimpelig koppie. Kimberley legde haar ezeltje erbij. Balt stond zijn marsreep af en Kasper gaf zijn parfum plus daarbovenop de verkreukelde ster. Dit waren geen cadeautjes meer, dit waren geschenken, een ezel, lekker hapje, lekker geurtje en wat goud van de onwijze wijzen uit Oost.

‘Krijg nou wat’, riep Kimerbley en ze wees naar buiten. ‘Daar boven de flats staat een ster te knipperen!’

‘Welnee joh’, zei Balt. ‘Da’s het knipperlicht op de Rembrandt-kantoor-toren om vliegtuigen te waarschuwen.’

‘Evenzogoed is het een mooi gezicht’, zei Ria.

Karel Eykman schrijft kinderboeken, gedichten en liedjes. Hij werkte mee aan tv-programma’s als De Stratemakeropzeeshow, Het Klokhuis en Sesamstraat. Zijn laatst verschenen boek gaat over De Bergrede ‘Vrij als de vogels’ (Boekencentrum).

De tekeningen zijn van Alex de Wolf.